Bio

Onaangekondigd geboren
Op 1 juni 1967 werd mijn broer Rob geboren. De familie werd gebeld en de blijdschap gedeeld. En half uur later werd ik onaangekondigd en onverwacht geboren. Zes weken te vroeg en nog geen 3 pond. Een zuurstofmasker was nodig om me in het ziekenhuis te krijgen. Een couveuse was nodig om de eerste dagen door te komen. 1 Juni valt in het sterrenbeeld tweeling en met mijn tweelingbroer werd ik ‘twee keer tweeling’. Rob en ik groeiden op in onze slagerij aan de St. Servatiusstraat in Dinther (N.Br.) De winkel was naast de huiskamer, de slachterij en de werkruimtes erachter. Opa en oma woonden boven ons. En achter ons huis lagen de weilanden. We speelden in boomhutten en sloten. Tegenover ons zagen we op de boerderij beesten gemaakt en geboren worden, om ze thuis in onze slagerij te zien verworden tot voedsel. We hadden de hele levensloop op een paar vierkante meter. Op laarzen waarin sokken naar voren kropen, schoten we een lekke bal tussen de koeien door en werden wereldkampioen. Op een fiets waar het stuur van was omgedraaid werden we ‘Tour de France – winnaar’ in de Aakant. En viel ik een gat in mijn knie. Het steentje werd verwijderd. Mijn ouders vulden géén formulier ‘ongevallenregistratie en risicogebieden’ in. Maar ik moest opnieuw mijn balans vinden, tempo maken en risico’s nemen. Dinther was koningsgezind en had Katholieke wortels. Wij deden onze eerste communie en onze Heilige communie. Mijn vader heeft geen broer of zus. Aan mijn moeders kant hadden we een hele familie. Dinther was de wereld.

 

Als Rob en ik naar de kleuterschool liepen, waren we alert als we balanceerden op het muurtje van dokter Labeau, omdat daar een krokodil in de vijver zat. In de eerste klas, mocht bij juffrouw Els de ‘M’ van Marcel zijn. Juffrouw Bouwman in de tweede liet Pluk van de Petteflet met zijn kraanwagentje door mijn hoofd rijden. Juffrouw van Pinxteren in de derde was streng. In de vierde maakte meester van Uden grapjes. En in de vijfde vertelde meester van de Burgt dat ik de grapjes buiten moest maken. In de zesde klas zag meester Barten het verschil tussen mij, mijn tweelingbroer en de andere 45 jongens. Ik liep rond in de verhalen die hij voorlas. Daar moet het verlangen naar het leraarschap geboren zijn.

 

Blijf maar
Als we thuiskwamen namen we altijd de voordeur, de winkeldeur. En als mijn moeder niet in de winkel stond riepen we altijd; “Blijf maar…” Ik kan me de dag nog herinneren dat ik dacht: ‘dat is handig, dan weet mijn moeder dat ze niet naar de winkel hoeft te komen.’ Maar ik had die zin al maanden van mijn broer geïmiteerd. Het zou nog lang duren voor ik besefte dat ik wel zélf degene was die leerde, maar nooit zonder anderen!

 

Het was altijd druk in en om ons huis. Personeel, klanten, vertegenwoordigers, familie. De kersttijd was bijzonder. In een periode waarin iedereen hard werkte om alle bestellingen klaar te maken, leek het plezier het grootst en de saamhorigheid vanzelfsprekend. De zin die het helderst naklinkt: Mag het ietsje meer zijn?

 

Het zit erin geboren
Als ik gedurende het jaar nadenk over carnaval, kan ik nauwelijks bedenken wat daar de humor van is. Teveel drinken, schminken, verkleden, hoempapa-muziek, polonaise… Maar als in februari de eerset vertrouwde deuntjes uit de radio klinken en dorpsgenoten weer gaan raden wie de prins wordt, weet ik: het zit erin geboren!

 

Gezelligheid en bijlessen
In 1979 ging mijn broer naar het gymnasium, ik naar het Havo. Een jaar later zaten we samen in Havo 2. Daar bleef ik zitten. Toen hij zakte in de vijfde zaten we weer bij elkaar. Hij slaagde en ging verder,ik moest het examenjaar ook nog een keer overdoen. Het waren zeven mooie jaren. Ik sportte veel en intensief: Voetbal, waterpolo, tennis, hardlopen, zaalvoetbal. Voor gym en biologie had ik een 9. Van de andere vakken kan ik me vooral de gezelligheid en de bijlessen herinneren. Dat de wonderen de wereld niet uitwaren, moest ik op mijn rapport lezen.

 

Met Gorgo, de zwem- en poloclub, gingen we elk jaar op kamp. Dat vond ik de mooiste week van het jaar. Samen, anders, actief, verliefd, moeilijk, spannend, leven! Ik was blij dat Gerard Barten, de meester van de zesde klas, me vroeg om als kookstaf mee op schoolkamp te gaan. Na een week benoemde hij wat ik al voelde. Ik ben gemaakt om met kinderen te werken en ontwikkelde de liefde voor het onderwijs.

 

Op de Pabo ‘ruilde ik mijn tweelingbroer deeltijd in’ voor Lambert van der Ven. Die met mij een vergelijkbaar ritme van gaan en komen opbouwde en die, zoals dat bij Rob achteraf ook steeds was, deed wat ik niet kon en andersom. Vanaf de eerste dag werd ik geïnspireerd door pedagoog Jan van der Crabben. Hij bleek mijn leermeester te zijn. Zijn oordeelloze, empathische attitude zorgde ervoor dat ik kinderen kon gaan begrijpen en aanvoelen. Ik was nog steeds op mijn best en het leven was nog steeds op zijn mooist, als ik met veel anderen, jong en oud, op kamp was. Zo diende de ultieme gemeenschap zich aan. Zo wilde ik leven. Zo moest onderwijs zijn.

 

Toen we in 1990 afstudeerden, werd ik uitgenodigd door een oudergroep in Boekel, die een nieuwe school wilden starten. Ze hadden gekozen voor het ErvaringsGericht Onderwijs. Lambert en ik waren daar op afgestudeerd. Het concept was ontwikkeld door de Leuvense prof. dr. Ferre Laevers. Hij had het concept beproefd bij kleuters. Met Paul Bouw en Jeanette Deenen mocht ik proberen om het gedachtegoed in de hele basisschool tot leven te wekken. Ik startte met groep 4,5,6,7,8.

 

De dood en het nieuwe leven
De week voordat we startten, stierf mijn beste vriend Geert Laurenssen. Na een slepende periode versloeg de kanker zijn kracht en bewustzijn. Terwijl ik overdag genoot van mijn nieuwe uitdaging, huilde ik vaak naar huis. Contacten begonnen te bestaan uit mensen die de dood wel of niet kenden. Jaren later schreef ik de roman Ontfutseling. Een fictief verhaal waarin de ontmoetingen tussen de hoofdpersonen authentieke herinneringen zijn aan Geert.

 

Op basisschool Uilenspiegel ontvingen we ’s ochtend 23 kinderen in een kring. Dat was de hele school. Met Paul verkende ik de realiteit, die slechts in concepttaal beschreven was, terwijl ik me verbaasde over hoe Jeanette haar schaduw ontdekte waar de kleuters bij waren.

De school groeide, ik begeleidde midden- en bovenbouwgroepen. Collega’s, ouders, maar vooral de kinderen leerden me elke dag dat we samen moesten leren. We bouwden een winkelcentrum, trokken door de Ardennen, lieten konijnen dekken in de klas, begroeven het skelet van een koe, timmerden een kast, verwonderden onszelf bij uitkomende eieren, bezochten de uitvaart van de vader van Aafke, én we rekenden en zongen en schreven en lachten en frustreerden onszelf en werden kwaad en verdrietig en hadden elkaar wat uit te leggen. En Bart schreef voor het eerst met plezier op een apenposter en Pim haalde voor het eerst zijn haren voor zijn ogen waar ik bij zat en Sanne werd kwaad op mij, terwijl ik kwaad op haar werd en we douchten samen onder paraplu’s omdat je dan niet nat werd en Tijn had aan een puzzel niet genoeg en Harris kon niet stoppen met Harry Potter en bij Luuk moet ik even iets langer kijken en Kevin en Alexander konden vliegen en Bram gooide gericht en Frits moest even uithuilen en Simon en Karim hadden bouwvakkers nodig en Femke kon het alleen maar mooi en Robbie en Niels hadden even een ‘Wel-Niet’ en bij Rik beklijfde het pas toen het bleef plakken en Irma sprak uiteindelijk toch en Kees en Sander hadden een oplossing die ik niet gekozen zou hebben en de ateliergroep ‘Soep’ maakte het te zout en de klas deed het zo fout nog niet…

 

Ik heb veel geleerd van ‘meerwetende partners’, maar waarschijnlijk het meest van de kinderen zelf. In hun gedrag is altijd mijn gemoed gespiegeld geweest. De naakte waarheid die zich representeerde in al zijn gradaties, heeft me gebracht waartoe mijn ratio me nooit had kunnen leiden.

 

Leven en dood

Ook toen ik mijn eigen kinderen moesten teruggeven aan het mysterie dat daarvoor nog de schijn van maakbaarheid in zich droeg. Harder en naakter kon niet. Het leven vertelde dat je niet beschikt.  Ik wist dat het leven begint en eindigt, dat het onvoorspelbaar is en nauwelijks te beïnvloeden. Ik wist dat de kinderen het al wisten en dat alle constructen die we toevoegen om het in de hand te houden en te meten ons verder afbrengen van wat het kind zelf, ons elke dag vertelt. Ik wist dat ik leraar was geworden. Dat ik mocht verzinnen, vertellen en verbinden.

Ik hoef geen moeite te doen om het geluk te voelen stromen bij de gedachte aan mijn sollicitatiegesprek, de enthousiaste, gewetensvolle ouders die beter wilden, de verbouwing, de vrijheid en de strijd met alle teamleden, om te beschrijven wat we voelden en te voelen wat beschreven was. Maar ook hoef ik geen moeite te doen om de boosheid weer te voelen als de witte-jassen-brigade kinderen labelden, zonder interesse in de eigenheid van het individu. Van controleurs die enkelvoudige analyses hanteren en daarmee volledigheid suggereren. Van bestuurders die kwaliteit uit instrumenten halen in plaats van uit kinderen en leerkrachten. Van belangenverenigingen die de belangen laten afhangen van machtsgedomineerde strategieën. Maar het kwaadst, altijd het kwaadst, als het welbevinden en de betrokkenheid van onze kinderen geen voorrang kreeg op bedachte constructen die de connectie met het leven grotendeels kwijt zijn. Waar kinderen worden gereduceerd tot lijstjes gedragskenmerken en andere bureau-indelingen.

 

Van verbazing naar verbondenheid
Vanuit een zich herhalende verbazing over wat onnodig niet goed gaat, heb ik de behoefte ontwikkeld om mooie, goede praktijk en theorie te verbinden. Voorheen bij het expertisecentrum E.G.O. en het expertisecentrum DuOO en nu bij het NIVOZ. Het E.G.O. heeft ‘welbevinden’ en ‘betrokkenheid’ als criteria en DuOO ‘verbondenheid’ als hoogste waarde. Bij het NIVOZ zijn we steeds op zoek naar de essentie van de interactie tussen de leraar en de leerling. Pedagogische tact. Zodat leraren en schoolleiders het goede doen, op het juiste moment, óók in de ogen van de kinderen. Daar wil ik een bijdrage aan leveren.

 

Gesteund door mijn lieve Simone en drie prachtige jongens. Het leven is een zegen.

 

Wat ik heb, geef ik.
Wat ik heb gegeven, ben ik niet kwijt.
En wat ik heb gekregen, krijg ik nooit meer op!

 

Marcel
Verzinner-Verteller-Verbinder